Door Hester Aalberts
Er zijn rocksterren. Er zijn iconen. En dan was er Ozzy. De man die vleermuizen vrat, duiven de kop afbeet op een bedrijfsfeestje en tegelijk miljoenen harten veroverde – met zijn stem, zijn volslagen krankzinnigheid en, jawel, zijn ontwapenende openheid. Ozzy Osbourne is niet meer. De Prince of Darkness is op 76-jarige leeftijd overleden, na een leven dat geen roman zou durven beschrijven.
Zijn dood betekent het einde van een tijdperk waarin rock nog gevaarlijk mocht zijn. Ozzy was de stem van Black Sabbath, de band die begin jaren zeventig de fundamenten legde van wat later heavy metal zou worden. Donkere riffs, traag als een begrafenisstoet, gezongen door een arbeiderszoon uit Birmingham die klonk alsof hij een pact had gesloten met de onderwereld. Sabbath bracht angst, verwarring en maatschappelijke woede naar de hitlijsten, en Ozzy werd er het huiveringwekkende middelpunt van.
Na zijn ontslag uit de band (wegens, uiteraard, overmatig drugsgebruik) begon hij aan een soloavontuur dat hem – met dank aan gitaarvirtuoos Randy Rhoads – opnieuw richting de top katapulteerde. Blizzard of Ozz, Diary of a Madman, No More Tears: albums vol chaos, tragiek en melodie. En toch werd Ozzy nooit een karikatuur. Zelfs op reality-tv (The Osbournes, MTV) bleef hij, te midden van gescript gekrijs en slapstick, iets echts houden. Een vermoeide maar liefdevolle vader. Een man die ondanks alles bleef bestaan.
Ozzy overleefde alles. Cocaïne, alcohol, ongelukken, Parkinson, noem het. Zelfs Sharon. Zijn dood voelt onwerkelijk omdat we dachten dat hij al dood wás, of in elk geval onsterfelijk. Maar Ozzy was, op zijn eigen gestoorde manier, juist uitzonderlijk levend.
De wereld klinkt vandaag wat doffer, wat minder bruut, wat minder bizar. Lang leve Ozzy. En god sta ons bij als hij straks de hemelpoort binnendwaalt met een sixpack en een kruis om zijn nek.
