Met foto’s van Anne-Marie van Rijn
Paradiso, 27 mei. De zaal heeft op deze doordeweekse dag een nogal eenvormig publiek binnen zijn poorten. Vol staat het met vriendelijke volwassenen, zo te zien en te ruiken zijn het vooral projectmanagers in vrijetijdskledij. Lekker effe ontsnappen aan geestdodende bila’s, teamoverleggen en het eeuwige geplak met gele memostickers, ik snap dat wel. Vrouwen zijn ver in de minderheid. De enige niet-witten die er rondlopen behoren tot de security en de weinige jongeren die er zijn staan te tappen achter de bar.

Op het podium is het niet veel anders: vier in het zwart gestoken heerschappen van zekere leeftijd. Rond hun kontzakken bungelen sleutelbossen. De code daarachter ken ik niet, vermoedelijk is het stoer en nonchalant bedoeld. De frontman van vanavond heet David Eugene Edwards, wie kent hem niet? Een raszuivere poplegende is hij. Het hele optreden lang brengt hij zittend op een kruk door, ik kan me niet meer zo goed herinneren of hij dat vroeger ook zo deed.
Met zijn staat van dienst kan hij zich wel wat frivole uiterlijkheden veroorloven. Beetje protserige ringen om zijn vingers. Zilverkleurige cowboylaarsjes aan zijn voeten. Vlassige haarslierten die eerder geplakt lijken aan de binnenrand van zijn witte hoed dan aan aan de buitenkant van zijn schedel, en misschien is dat ook wel zo. Net als Bono draagt hij een brilletje met getinte glazen. Zo’n ding dat ervoor moet zorgen dat de leeftijd van de drager in raadselen gehuld blijft. Vergeefs, jochie.
22 jaar geleden, in de zomer van 2004 gaven ze een laatste serie optredens in westelijk Europa, waar ze altijd al veel popuiarder waren dan in hun thuisland. Onder andere in Nighttown en het oude Tivoli speelden ze. Ik weet het nog goed: ‘You got beautiful trees here,’ mompelde hij daar aan de Oudegracht tussen de nummers door. Hun shows werden in die eindperiode steevast afgesloten met een covertje van Heart and Soul van Joy Division. Je optreden afsluiten met zo’n nummer, dat doet toch een beetje denken aan Van Gogh die op zijn laatste schilderijen zwarte kraaien ging schilderen. Alsof ze de dreiging van hun naderende einde toen al voorvoelden. Zeg ik met het voordeel van de terugblik natuurlijk.


Maar 16 Horsepower zou 16 Horsepower niet zijn als er na hun heengaan geen heuse wederopstanding zou volgen. Halleluja nog aan toe zeg, onverstoorbaar en stoïcijns stáán ze er gewoon weer. Alsof die jarenlange afwezigheid er niet toe doet, alsof het een incidentje van niks was. Hetzelfde trio van toen zien we, nu wederom aangevuld met een extra muzikant. Een flink jongere knaap zo te zien. Eentje die duidelijk van deze tijd is, kind aan huis bij sportschool en tatoeëerboer. En misschien scheert hij zijn benen ook wel, zoals profvoetballers dat doen tegenwoordig.
In de jaren rond de millenniumwisseling maakte de band uit Denver, Colorado diepe indruk met een onbestemde stijl waar niemand echt een vinger op kon leggen. ‘Gothic country’ was uiteindelijk het etiket dat ze opgeplakt kregen. Met die term werd meteen ook recht gedaan aan de levensovertuiging van Edwards, want een diepgelovig mens was en is hij. Vier bona fide albums op rij maakten ze destijds. Alles op cd, want het was nou eenmaal het tijdperk waarin alleen obscure garagerock alsmede hiphop-, house- en gabber- 12 inches nog op vinyl verschenen. De aantrekkingskracht van 16 Horsepower lag indertijd grotendeels verscholen in het magische stemgeluid van Edwards. Met een kopstem als die van een eenzaam dolende prairiehond wist hij met schijnbaar gemak tot in de kieren van concertzalen door te dringen.


De vrees dat hij anno 2026 qua stemkracht heeft moeten inboeten blijkt in Paradiso al gauw geheel ongegrond. Alsof de tijd heeft stil gestaan schudt hij de huiveringwekkende vocale uithalen van weleer nog steeds uit zijn mouw. Geen nuance of stembuiging wordt daarbij gemist, al is de vocale ondersteuning van de tweede gitarist een welkom extra, het zorgt voor een robuust bandgeluid.
Op hun beste momenten weet 16 Horsepower ook muzikaal nog steeds een diepe indruk te maken. Met name op die momenten waarop gekozen wordt voor aan afwijkend instrumentarium. De banjo, de kleine accordeon, de staande bas die gaat knorren als het bespeeld wordt met een strijkstok… op zulke momenten klinkt 16 HP nog steeds innovatief en magisch en baanbrekend en hoogst origineel. Ja, klinken ze als een band die helemaal van deze tijd is. Op zulke momenten hoor je raakvlakken met een band als Lankum en hun fameuze ‘drone-sound.’


De keerzijde van dit moois is dat bij vlagen de conventionele gitaarrock toch overheerst. Gekarakteriseerd door veel slide gitaarspel, blijft hun sound dan haken tussen tijdloos en gedateerd. Mede vanwege de toegevoegde gitarist en het nu hoog opgeschroefde volume krijg je net iets te vaak het idee in een ‘gewone’ gitaarrockshow terecht te zijn gekomen. Een vergeten benaming uit een ver verleden dringt zich dan op: cow-punk.
Irritant is dat Edwards een maniertje gevonden lijkt te hebben om de aandacht vast te houden. Want werkelijk om de haverklap steekt hij -zittend op die kruk dus- zijn linkerbeen naar voren en laat dan steeds zijn voet zogenaamd nerveus heen en weer wiebelen. Vol in het zicht van het publiek dus. Alsof hij enorm in zijn nopjes is met de aankoop van die boots van zilver, en dat met ons wil delen. Een goedkope gimmick als je het mij vraagt. Zoiets heeft iemand van zijn statuur toch niet nodig?

Afijn, een kniesoor… De kern van de zaak is dat in deze tijden van vernuftige software, social media strategieën en AI het verdomd fijn is dat er nog muziek bestaat die gewoon 100% puur en ambachtelijk is, gemaakt door mensen van vlees en bloed. In die zin voorziet 16 Horsepower duidelijk in een behoefte, want ook hun concerten in de Oosterpoort en Doornroosje zijn stijf uitverkocht.




