Met foto’s van Anne-Marie van Rijn, gemaakt met oude camera en klein lensje
Het is snel gegaan met Geese. Zelden was er zo’n plotselinge, explosief gegroeide belangstelling voor een alternatieve rockband. Nirvana misschien? Het aantal zich aangemelde ticketzoekers bij TicketSwap voor de optredens in Paradiso (a.s dinsdag) en Doornroosje (maandag j.l ) liep de afgelopen weken op naar de 8.000. Daarbij valt het te prijzen dat deze podia vasthielden aan hun locatie en het zaakje niet lucratief doorschoven naar een veel grotere zaal. Want kijk eens naar Keulen. Het Geese-concert daar (a.s woensdag) zou aanvankelijk in Die Kantine plaatsvinden. Daar kunnen maximaal 900 man in. Al snel werd het verplaatst naar het grotere E-Werk. Amper zes weken later werden ticketkopers opnieuw geïnformeerd over een lokatiewijzing (‘Veranstaltungsverlegung’ in goed Duits). Het concert gaat nu plaatsvinden in het Palladium. Capaciteit: 5.000.
Geese begon zoals tienduizenden andere bandjes ook ooit begonnen: als gelijkgestemde middelbare schoolvriendjes die een bandje oprichtten. Aanvankelijk waren de vier uit Brooklyn nogal idolaat van King Gizzard & the Lizard Wizard en speelden ze meer conventionele indierock. Toen de diploma’s eenmaal op zak waren werd het serieuzer en ging het meer de art-rockkant op. Na drie albums die relatief onopgemerkt bleven was het eind vorig jaar keihard raak metGetting Killed, een doorbraakplaat in de meest letterlijke zin van het woord.
Al eerder was Geese op bezoek in Nederland. Bij Lowlands 2022 en bij Indiestad-fest 2023 was er weinig ophef over. Meer aandacht ging er toen bij Indiestad uit naar Ditz en Fat Dog. Maar vervolgens kwam dus afgelopen september Getting Killed uit. Die plaat vereist enige inspanning van de luisteraar, het geeft zijn geheimen niet zomaar prijs. Pas na herhaalde beluistering komt de volle pracht ervan aan de oppervlakte. De muziek van Geese komt in eerste instantie wat diffuus over, het lijkt alle kanten op te gaan. Ook het stemgeluid van frontman Cameron Winter geeft niet meteen houvast, het klinkt wat neurotisch. Een ‘snaterende gans’ hoorde ik laatst iemand opmerken. Toch is het met name de dynamiek van Getting Killed die het zo onweerstaanbaar maakt. Het is muziek die aanzwelt en inplooit, die versnelt en vertraagt, die croont en schreeuwt, die zuigt en spuugt. Mede daardoor is het moeilijk te omschrijven, de boys laten zich geen moment vastpinnen op een bepaald stijltje.
Als Geese onder luid gejoel het Doornroosje-podium betreedt dringen de eerste indrukken zich op. Vijf gasten met veel haar. Vier kerels en een gitarist uit Transwijk. Een toegevoegde keyboardist maakt er deel van uit. Ze zien er lekker sloom uit, hun kleding oogt onverschillig. Hoodie hier, hoodie daar. Om de band heen hangt zo’n heerlijk onderkoelde, typisch New Yorkse air van slungelige onverschilligheid, zoals we die ook kennen van types als Thurston Moore, Joey Ramone en Lou Reed. En al direct is het zonneklaar: Cameron Winter is de man op wie Geese leunt. Veel meer dan hun platen doen vermoeden is hij, en alleen hij, het blinkende middelpunt.
Natuurlijk, de muzikanten om hem heen zijn niet de minsten, ze begeleiden hem kundig. Maar gekluisterd aan de microfoonstandaard en staand op de rand van het podium is het enkel Cameron Winter, en alleen Hij, die van meet af aan 1100 paar ogen naar zich toe weet te trekken. Het jong is rijzig van gestalte en heeft een aura van hier tot Kyoto. Met gemak torent hij uit boven de bassist die rechts van hem staat. Ook heeft hij zo’n lome, nonchalante oogopslag die de ware sterzanger kenmerkt. En verrekte muzikaal is hij ook nog. De noten schudt hij uit zijn mouw alsof het pepernoten zijn. Afwisselend zingen, gitaarspelen en pianospelen gaat hem met schijnbaar gemak af. Een complete speler, zou Koeman zeggen. Een rockgod zeg ik zelf.


Hoewel je Getting Killed tamelijk briljant mag noemen is er ook wel wat op af te dingen. De teksten met name. Vaak genoeg is het ondoorgrondelijkheid troef, of beter gezegd hebben we te maken met rijmelarij of gewoon klinkklare onzin (‘I saw 100 horses dancing, maybe 124’). Of gaat het om flauwe woordspelingen (Pays de Cocagne / luilekkerland, wordt Pays de Cocaine), of wordt er afgezaagde beeldspraak gebruikt (iets met boats en sailors en docters), of wordt er al te opzichtig à la U2 of Bob Dylan met bijbelreferenties gestrooid (‘like Joshua kicked kicked kicked the King out of Jericho’). Maar het mooie van popmuziek is, zelfs de meest onnozele tekstregels kunnen verpakt in aanstekelijke melodieën uitgroeien tot glorieuze anthems. Zo ook in Doornroosje. Het manco van het ontbreken van achtergrondvocalen (op Getting Killed doet Winter die allemaal zelf) valt snel weg aangezien het Nijmeegse publiek hele stukken tekst uit het hoofd kent, en die worden dan ook vol overgave meegezongen.
Hoewel Cameron Winter veelal in het halfduister staat te zingen heeft hij qua stemgeluid niks te verbergen. Dat klinkt zeldzaam helder, persoonlijk, oprecht en verstaanbaar. Maar bij vlagen ook kwetsbaar en –om maar eens een leenwoord uit de fotografie te gebruiken- grofkorrelig want hij maakt nog weleens een vocaal slippertje. Lefgozertjes zijn de Geesers ook. Bij hen vloeien bijna ongemerkt allerlei jazzy, punky, folky, arty en proggy thema’s in elkaar over. En: ze dóen er ook wat mee. Een nummer als 100 Horses bijvoorbeeld is vanwege zijn dansbare groove een van de prijsnummers van Getting Killed, maar in Doornroosje krijgt dit nummer zomaar een geheel ander arrangement mee. Je moet maar durven!


Wanneer het toegift (nummertje Trinidad) tegen zijn einde loopt zit ik zelf al diep in mijn interne glazen bol te turen. Want hoe oh hoe moet het nou verder met Geese? Uiteraard zijn ze nu op een geweldige manier aan het oogsten wat ze ooit hebben gezaaid. Dat is ze van harte gegund. Maar daarna, gaan ze daarna een stadionact worden? En zo ja, hoe lang houden ze dat dan vol? De vraag dringt zich op in hoeverre een solocarrière voor Cameron Wnter in het verschiet ligt. De popgeschiedenis ligt immers bezaaid met voorbeelden van succesvolle groepjes waarvan hun getalenteerde voorman/vrouw op zeker moment besloot om voor zichzelf te beginnen (Lou Reed, Sting, Diana Ross, John Fogerty. Morrissey, Ice Cube, Paul Weller, Van Morrison). Een simpele ego-clash of knallende ruzie kan soms al voldoende aanleiding zijn. Of Winter ook die kant opgaat moeten we afwachten. Feit is wel dat hij met Heavy Metal, zijn solo-pianoplaat uit 2024, al bewezen heeft uitstekend op eigen benen te kunnen staan.
Enigszins bezorgd voeg ik eraan toe dat ik hoop dat alle adoratie en ophemeling zich op den duur niet tegen hem gaat keren, en dat het Nirvana-lot hem bespaard zal blijven. Gekatapulteerd worden naar superstardom, het zou je maar overkomen. ‘Fame, fame, fatal fame/ it can play hideous tricks on the brain’ zongen The Smiths niet voor niks al eens. Je moet er toch niet aan denken dat Cameron Winter op een goede dag op de vloer van zijn tuinhuisje aangetroffen wordt, met een vervelende weduwe treurend aan zijn zijde.

Niet onvermeld mag support-act WESTSIDE COWBOY blijven. Wie zich afvraagt wat de eerstvolgende Manchester-band zal zijn die de wereld gaat veroveren moet eens bij hen te rade gaan. Het is een uiterst fris viertal, jong en onstuimig, spelend in de klassieke drum-bas-gitaar bezetting waarbij ze – heel anders dan Geese- alle vier zingen. Ook zijn het stuk voor stuk meesters op hun instrument en bovendien very good-looking, vooral die vingervlugge zangeres/bassiste. ‘Britainicana’ noemen ze hun muziek zelf, waarmee ze uiteraard een Britse variant op Americana bedoelen. Vanwege hun enthousiasme zijn het in een live-setting vooralsnog vooral de up-tempo indierocksongs die hun geluid bepalen. Toch is het dat folk-element (americana zou ik het niet willen noemen) wat ze bijzonder maakt en wat ze onderscheidt van de rest. In die zin doen ze denken aan Wednesday, twee weken terug lieten die in Paradiso horen in een soortgelijke spagaat te zitten. Maar goed, problematisch is het niet, met Westside Cowboy gaat het sowieso goedkomen. Om te beginnen tijdens deze Eurotour waarbij ze het vaste voorprogramma vormen van Geese.

Twee keer Westside Cowboy





